STEL

Hij staat op een ladder en doopt een grote roller in de verf als ik aan kom lopen. Het huis is vanaf de grond tot de ramen op de eerste verdieping brandweerrood geschilderd. Het houtwerk van de kozijnen is afgeplakt met schilderstape. De overburen staren naar de stenen van ons huis. Als ik naar ze kijk, pakken ze gauw een gieter om de plantjes in de vensterbank water te geven.
‘Hank?’
‘Ja, liefje?’
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Ik dacht, ik verf het huis rood.’
Voorzichtig laat ik mijn ogen over de nog ongeverfde bruine stenen gaan. Het zijn er nog heel wat. ‘Stel je voor. Je komt weer thuis, hier bij mij,’ hij laat de roller in de verfbak liggen, ‘en in de binnenkant van je jas is een briefje genaaid met daarop: Ines woont in een rood huis. Dan weet je zeker dat dit jouw huis is!’. Ik duw mijn handen dieper in de zakken van mijn jas, knik en loop naar binnen. Druppels rode verf druipen langs de deurpost naar beneden. Het zijn net kleine schaafwonden van alle bezoekers die ooit langs elkaar naar binnen zijn geschuifeld.

We bedenken hoe het zal zijn als ik me later niets meer herinner. Het is stil in de tuin. Hank zit op het met mos bedekte tuinbankje. Er is genoeg plek voor twee, maar ik zit in het gras en trek beheerst onkruid uit de grond.
‘Wat als ik niet meer weet dat ik Ines heet?’ Hij zegt niets.
‘Wat als ik mijn eigen ogen niet meer herken?’ Hank staat zonder me aan te kijken op van het bankje en loopt naar binnen toe. Ik kijk naar het water dat zachtjes heen en weer wiegt. De waterplantjes op de bodem worden meegevoerd op het ritme. Ik stel me voor dat ze zich als in slaap gesuste baby’s voelen. Binnen hoor ik de slaapkamerdeur met een klap dichtslaan. Hij begraaft zijn hoofd de laatste tijd steeds vaker onder zijn kussen. Ik weet niet of hij dat doet omdat hij wil schreeuwen en de schreeuw met zijn kussensloop probeert te dempen om mij niet ongerust te maken, of dat ik hem gewoon erg moe maak. Ik schenk een glas water voor mezelf in en schrijf op een oud boodschappenlijstje: Ik heet Ines en ik hou van Hank. Met het briefje in mijn hand loop ik de trap op. Zachtjes klop ik op de deur en schuif het blaadje door de gleuf aan de onderkant. Hij zal hiervoor vallen, zoals ik er tientallen keren voor viel. Hank bedacht het systeem toen we ruzie hadden over het nemen van een kat. Op het briefje stond keer op keer hetzelfde. Hank houdt van Ines en dat zal altijd zo blijven. Met kat of niet. Of we naar Italië op vakantie gingen of niet. Onnozele meningsverschillen die in feite nergens anders over gingen dan dat we blij waren. Of nee. Dat er nog geen problemen waren. Geen horizonvervuilers.

 

Een tafel met daarachter een bureaustoel. In de hoek een grote cactus. Een schilderij met twee vage rode strepen door elkaar heen. ‘Ines, hoe is het deze week gegaan?’
De gemiddelde mens heeft een liefdesleven bestaande uit meer dan één persoon. Ik had geluk, vond in een keer de juiste. De gemiddelde mens krijgt advies van één psycholoog in zijn leven. Ik had pech, luister nu naar de derde. Het begon op oudejaarsavond. Ik was acht jaar en verderop in onze straat brak brand uit in een huis. Een lucifer was onder de bank belandt en tegen een plastic zakje gerold. Vanaf dat moment gingen er geen kaarsjes meer aan in huis als ik er niet bij was. De haard mocht niet vlamvatten en ’s avonds in bed was ik bang om levend te verbranden. Mijn ouders bleven om de beurt bij me tot ik mezelf met al mijn angsten zo moe had gemaakt, dat ik niets anders meer kon dan in slaap vallen. Ik werd naar Valerie gebracht, mijn eerste psycholoog. Ik moest een aantal vragen op papier beantwoorden. Aan het eind van iedere vraag stonden vier lege rondjes met een antwoord erachter, ik mocht inkleuren welk rondje van toepassing was. ‘Ik was dinsdag heel bang dat de kaars op tafel om zou vallen.’ ‘Oké, en wat zou er dan volgens jou kunnen gebeuren?’ ‘De kaars zou op het tapijt kunnen rollen en vlamvatten.’ Valerie begon voor haar op het papier de situatie uit te tekenen. Haar lange bruine haren rustten op het tafelblad. Later wil ik ook zulk lang haar dat ik het op tafel neer kan leggen, dacht ik. Ze liet me zien dat het kaarsvet, dat tijdens het omvallen gaat druipen, de lont eigenlijk al uitblust. In mijn hoofd bleef de vraag zich herhalen: maar wat als…

Het duurt zeker nog een half uur voordat Hank weer op het bankje achter mij plaatsneemt. Op mijn schoot ligt een zak brood. In een langzaam tempo haal ik steeds een stukje eruit en gooi het naar de vogels. Ze zijn ongeduldig en beginnen te pikken naar de zak. Ik kieper de laatste kruimels op de grond en ga naast hem op de bank zitten met mijn benen hoog opgetrokken. Hij heeft een kladblok van boven meegenomen en hervat het gesprek. ‘Je komt op een ochtend thuis. Je hebt inmiddels ontdekt dat je Ines heet. Je hebt het rode huis weten te vinden en weet ook dat het jouw huis is. Maar dan voelt het nog niet als thuis, want je herinnert je je niets van hier.’ Ik knik, maar luister niet. Tuinstoel, gebroken steen, blokken hout voor de kachel, vogelhuisje aan de tuinkast, ronde vijver van twee bij twee, mijn gezicht in de weerspiegeling, zijn eerste grijze haren als opkomende grassprietjes boven de rand van zijn oorschelp. Ik probeer alles op te slaan, in de leegtes tussen mijn ribben te stoppen alsof ik ongelezen liefdesbrieven oprol en in de kieren van een muur steek. Nieuwsgierig kijk ik over Hanks schouder, zijn grijze sweatshirt ruikt naar zweet en tranen. Een zoute ophoping van gedachtes over nu en straks. Vastberaden schrijft hij met de pen het eerste blaadje van het kladblok vol. Ik lees mee, verdwaal een beetje in de wirwar van letters, de middag in mei waarop ik hem tegenkwam op straat. Hank droeg een net gekochte monstraplant, de bladeren belemmerden zijn zicht. Het moment waarop hij het gewicht van de plant niet meer kon houden, zijn spieren als slappe uitgerekte elastiekjes, waren mijn handen daar om hem op te vangen. Ik hield de stam vast aan de onderkant, Hank probeerde de takken beet te grijpen. Ik keek naar de schaduw op de grond. We vormden samen een grote boom; onze rompen een stevige stam, mijn grove krullen het bladerdek, onze onderarmen brede egale takken waar vogels op zouden kunnen rusten na een lange vlucht. Ik lees niet verder. Ik weet wat er komt en kijk omhoog.
Hank staat op van het bankje, scheurt het briefje uit het blok, loopt ermee de woonkamer in en zet het in de aarde bij de monstraplant. Het startsein is gegeven. Ik pak een pen van tafel en kies een ander voorwerp uit de ruimte. De radio. Op het briefje schrijf ik: We zijn altijd als een licht gezang geweest. Zachtjes. Maar onophoudelijk hoorbaar.
We versieren het huis met witte blaadjes vol herinneringen. Wanneer ik niet bij de hoge plekken kom, tilt hij me zachtjes op. De spieren in zijn armen zijn inmiddels geen slappe elastiekjes meer, ondanks zijn leeftijd. Als de witte blaadjes op zijn, gebruiken we de blauwe vouwblaadjes van zolder. Daarna de oranje. Als laatste nog een paar gele. In dit huis wordt vanaf nu continu iemand geboren.
Als Hank zich omdraait heeft hij een briefje om de rand van de bovenkant van zijn shirt gevouwen, als een slab. Op het briefje staat: Dit is Hank, je houdt van Hank. Met een pijl naar zijn gezicht erbij. Zijn mond lacht een beetje, er flikkert een lichtje in het midden van zijn ogen. Hank bedoelt het als grap, toch voel ik mijn handen trillen.
‘Hoe lang zal het duren voordat we het ophalen van ons verleden en het in elkaar zetten ervan leven noemen?’ Mijn armen sluiten zich om hem heen. We zijn net magneten. Als we dichter bij ons doel komen doen we de lucht tussen ons in trillen. Mijn huid herkent zijn huid. Huid waar het al jaren tegenaan slaapt, doucht, vrijt, bloost en huilt.
‘Ik weet het niet, Ines.’ Ik haal mijn lichaam uit zijn handen vandaan. ‘Ik weet het niet.’
Hanks blik maakt dat mijn lichaam naar boven loopt. Ik wist niet dat we een nooduitgang in huis hadden laten plaatsen, tot nu.

‘Ik ben bang dat ons huis wordt weggeblazen door een orkaan.’ Hendriks krullen deinsden als serpentine op en neer. ‘Goed. Spreek het maar hardop uit.’
‘Ik ben bang dat mijn zus wordt overreden door een trein.’ Hendrik knikte en stak zijn hand bemoedigend naar voren, alsof hij tegen een eendje wilde zeggen: ‘Toe maar, steek maar over.’ ‘Ik ben bang dat een hijskraam omvalt precies waar mijn ouders op dat moment staan.’ ‘Dus je bent bang dat anderen die jouw dierbaar zijn iets overkomt, en jij eenzaam achterblijft. Je bent bang om ze kwijt te raken.’ Ik knikte, terwijl ik een slok van mijn limonade nam. We schreven alles op in een speciaal boekje dat ik iedere week mee moest nemen. Op de eerste bladzijde stond zijn naam in zwierige letters.

Ik sta voor de ovalen spiegel in de slaapkamer en trek mijn kleren uit. Het nog warme hoopje stof staart me aan vanaf de grond. Met mijn vingertoppen glijd ik over mijn lichaam. Twee knieën met een blauwe plek op de rechter. Een buik die zachtjes bolt bij de navel. Ik probeer mezelf in een vorm van herkenning te duwen. De huid van mijn billen en bovenbenen waar blauwe aders als tropische rupsen heen en weer kronkelen. De deukjes in mijn heupen. Ik schuif mijn haren opzij, zoek naar de haarzakjes, daar waar het begint met groeien. Duw nagels in mijn wangen tot er rode halvemaantjes in staan en kijk naar de huid aan de binnenkant van mijn handen. Ze ruiken naar meel. Mijn borsten beginnen een beetje te zakken. Daarvoor zijn ze te lang niet door hem opgepakt, gekneed als kleine hompjes deeg.
Hanks gezicht in de deuropening laat me schrikken. ‘Is het echt zo? Ines, weet je zeker dat het zo is?’
Ik kijk naar de sproetjes in mijn liezen en schrik als ik me niet meer kan herinneren of deze er vorig jaar ook al zaten of niet.
‘Ines, ik verf het huis rood, ik hang de woonkamer vol met briefjes, ik bedenk hoe ik straks weer voor het eerst kennis met je ga maken. Ik moet weten of het echt zo is, Ines. Ik moet weten of dat straks gaat komen of niet.’ Ik kijk hem aan en vraag: ‘Zou het ooit weer zo worden als nu?’
Hank laat al zuchtend zijn hoofd in zijn handen vallen en loopt naar beneden.
Ik kijk uit het raam. De buren aan de overkant kijken al een tijdje niet meer op van het rode huis. Ze zijn gewend geraakt aan het oranjerode reflecterende licht dat soms hun woonkamers in schijnt.

Ze zeggen dat het ook mooie kanten heeft. Dat je voor de tweede keer een kans krijgt om een onbeschreven blad te zijn. Je gaat opnieuw ontdekken wat je mooi vindt. Dat wat nu mijn favoriete boeken zijn, kan ik straks misschien niet meer uitstaan. Wie nu de man is waar ik van houd, kan straks een vreemde voor mij zijn.
‘Je zult me opnieuw moeten veroveren; vertellen wat je van mijn uitstekende oren vindt, of mijn haren nog lekker ruiken, me meenemen voor een picknick in de tuin, mijn glas te vol schenken met rode wijn.’
‘Ines, ik… Ik weet niet wie je bent geworden, wanneer je op een ochtend beneden komt en mij niet herkent. En daardoor weet ik ook niet wat er van mij is geworden.’
Ik corrigeer mezelf. ‘We zullen elkaar opnieuw moeten veroveren.’ Hij knikt en neemt mijn lichaam in zijn armen. Samen vormen we een boom.

‘Als je languit op je bed gaat liggen en je voeten uiteen laat vallen, kunnen de spieren in je benen ontspannen. Leg je handen ver van je af met de handpalmen naar boven als dat prettig is. Nu hoeft niets nog te werken in je lichaam, behalve je hart.’ Ik lag op een zachte roze bank, Kim zat op een houten stoeltje naast mijn voeten. Het was licht in de kamer, er was een groot raam met uitzicht op het strand. Ze liet me geloven dat ik een berg kon zijn, sterk en standvastig.
‘Waar voel je je het meest onzeker over?’ vroeg ze me. ‘De kwetsbaarheid van mijn lichaam,’ was mijn antwoord. ‘De pijn die ik voel op mijn borst als ik niet goed adem. De tinteling in mijn vingers als het bloed niet ver genoeg door stroomt.’
‘Maar waar ben je nu echt bang voor?’ Ik hoorde buiten een meeuw krijsen en wilde met hem mee doen. In plaats daarvan was ik stil. De zee hoorden we inmiddels allebei al niet meer ruisen, we waren aan het geluid gewend. ‘Dat het ooit stopt. Het ademen, het tintelen, dat suizen.’
‘Adem nu eens drie tellen in en dan zes tellen uit.’ Ik deed wat Kim zei en ademde drie tellen in, hield het even vast en dan zes tellen uit. Aan het eind van de sessie was ik moe en terwijl ik haar een hand gaf bij de deur, bekende ik dat ik bang was dat de opbergplekken tussen mijn ribben ooit te vol zouden zitten en er steeds meer dingen zouden werden uitgetrokken en doorgescheurd, zonder mijn toestemming. ‘Dat is onzin, Ines, dat weet je zelf ook. En stel dat je ooit je eigen naam vergeet, dan vindt je ook daar weer een oplossing voor.’ Kim had overal een antwoord op. Ze was ervan overtuigd dat je uiteindelijk met alles kon leren leven, als het maar lang genoeg duurde. Een beetje zoals het ruisen van de zee.

Het is donker als we in bed liggen. De stroom valt uit als onze huid elkaar raakt. We bedenken dat de buren nu bordspellen gaan spelen om zich niet te vervelen en een wijnfles opentrekken. Uiteindelijk zullen ze in dezelfde positie als wij belanden.
‘Hoe weet ik dat dit de rug is waar ik van houd?’
‘Dat vertel ik je.’
‘Hoe weet ik dat als ik mijn billen naar achter duw, we perfect in elkaar passen?’
‘Dat laat ik je zien.’
‘Denk je dat het genoeg is?’

 

 

vrucht zonder vlees

Het is warm in de coupé.
Ik wil mijn kleren uittrekken en naakt op de paarse stoelen gaan zitten tegenover de jongen met de sinaasappel. De huid onder mijn billen zal dan tegen de stof aan plakken en als ik opsta laat ik een afdruk erop achter. De jongen ontvelt een sinaasappel alsof hij een meisje uitkleedt. Draadje voor draadje en wanneer het gebeurd is wrijft hij voldaan en bevredigd zijn handen tegen elkaar. De hele coupé ruikt naar sinaasappel. Hij draagt een donkere, dikke jas die zo te zien tot over zijn knieën valt. Een dunne grijze sjaal met aan de uiteinden kleine draadjes om zijn nek.
‘Hoi. Wie ben je?’.
Ik schrik op. De jongen met de sinaasappel praat. ‘Hi. Ik ben Lina’. Een onhandige hi en twee rode wangen, meer is er niet voor nodig.

Eerst de bovenkant. De top. De lila bh met kleine stukjes kant aan de zijkant. De lastige dubbele sluiting met haakjes waarop geoefend had moeten worden. Teder en met zijn volle aandacht erbij. Zijn handen trillen een beetje en zijn koud op mijn warme huid. Hij heeft lange nagels, omdat hij daar het vuil mee weg kan schrapen. Lange nagels hebben alleen maar voordelen, vindt hij zelf.

Ik weet nog hoe speciaal het was om wiebertjes mee naar school te mogen nemen. Soms forceerde ik mijn hoestje extra in de winkel en dan wees ik naar de schappen met keelpastilles. Het was een dun, plat doosje met een goed sluit systeem. De bovenkant kon heen en weer en dan ontstond er een gat waar de donkere, ruitvormige dropjes tevoorschijn kwamen. Als ik zenuwachtig was op school, schoof ik stiekem onder mijn tafel het luikje heen en weer en heen en weer. Dat gaf mijn vingers iets te doen.

Mijn hoofd duizelt als hij me kust. Zijn lippen zijn ongewoon zacht en smaken naar tandpasta. Die lekkere, waar je mond van gaat schuimen en je tanden schijnbaar witter van zouden worden. Mijn tanden zijn niet wit en ik poets er elke dag mee. Maar het schuim is wel fijn. De randen van zijn broek zijn gerafeld, alsof hij er met een scherp mes langs is gegaan. Het label is er half uitgescheurd en hangt nog aan enkele draadjes te bungelen. Al mijn labels knip ik direct uit mijn kleding. Het irriteert op mijn huid en ik irriteer me aan de irritatie. Bas trekt mijn broek zonder label met gemak uit. Hij stuntelt niet over de vier knopen op een rij en wringt ze met gemak open. Ik schaam me voor mijn onderbroek. Een roze met kleine paarse stipjes erop. Geen mooi roze meer, verwassen roze. Ik glijd met mijn lippen over zijn arm en ga over aders, heuveltjes en bulten. Zijn haren kriebelen in mijn neus.

Mijn kleren liggen op een hoop op de grond. Het lijkt net vuile was. De rode ribbroek die eigenlijk te duur was, maar ik mezelf zo goed vond staan. Het zwarte topje. De paarse stippelsokken waarvan de hiel zo versleten is dat er geen stof meer te zien is. Toch doe ik ze niet weg. Ze zitten fijn en vertrouwd en hebben de vorm van mijn voet overgenomen.

Het is donker in de kamer. We hebben de lampen uitgelaten toen we binnenkwamen. Twee grote houten balken houden het plafond boven ons hoofd op zijn plaats. Er is een klein raam en als je in bed ligt kun je net niet de kop van de lantaarnpaal zien, terwijl het licht wel naar binnen schijnt.

‘Doe jij dit weleens vaker met een vreemde?’. Bas trekt mijn sokken uit en gooit ze op de stapel waar mijn broek al naar mij ligt te kijken. De knopen staan open maar de zakken zitten nog dicht. Ik knik en schud tegelijkertijd mijn hoofd. Dit? Wat houdt dit precies in? Je bent geen vreemde. Ik weet dat je Bas heet en dat je hier in Leiden rechten studeert. Je vertelde me over de mazen in de wet. Dat als ik een zadel van iemand steel en deze op mijn eigen fiets zet, het niet meer stelen is. Dat ik dan gewoon legaal een nieuw zadel heb. Je bent geen vreemde. Vind je mij vreemd?

‘Soms’, antwoord ik hem. Ik lieg. Ik weet niet goed wat ik doe en vraag me af of ik dit vaker doe.

Ik denk aan de geur van hete pepers als Bas bovenop me gaat liggen. Van die rode, langwerpige, die je onder de kraan moet schoonmaken omdat de pitjes anders blijven kleven aan het vruchtvlees. Even ben ik bang dat ik geen adem meer krijg en hij me platdrukt, maar hij steunt op zijn onderarmen en laat mijn longen vrij. We zoenen en ik krijg maar geen genoeg. Zijn lippen zijn van suiker en ik ben verslaafd. Zijn vingers kneden mijn linkerborst tot een deegbolletje en ik leg mijn hand op zijn rechterbil. Pijn en genot wisselen elkaar af. Bas en ik, we smelten in elkaar. Ik bijt in zijn vingers en lik met mijn tong langs zijn lange nagels. Ze smaken nog naar sinaasappel.

Na een aantal hevige schokken komt er abrupt een einde aan ons samenzijn. Ik hoor Bas uithijgen naast mijn oor. Ik glimlach en duw mijn gezicht in zijn haren. Aan het plafond hangt een poster. Er staat een naakte vrouw op. Het is met vier plakbandjes aan de muur bevestigd. Een plakbandje laat los en ik bedenk me dat het niet lang zal duren voor de poster in zijn geheel naar beneden zal vallen.

Ik kijk naar zijn sperma op mijn bovenbeen. De textuur doet mij denken aan glazuur, gemaakt van poedersuiker met water. Dat maakte ik vroeger vaak, alleen gebruikte ik altijd te veel water en was er een tekort aan poedersuiker in huis. Het glazuur werd nooit dik genoeg.

Bas is in de badkamer. We hebben bijna geen woord tegen elkaar gezegd, enkel elkaars huid gevoeld. Hij had zachte donshaartjes op zijn bovenarmen. En kleine zomersproetjes. Dat soort schattige details had ik van tevoren nooit verwacht, met zijn donkere jas en donkere haren.

Ik kijk naar mezelf in de spiegel. Twee oren met een zachte oorlel, een gemiddeld grote onderlip maar een kleine bovenlip. Ik ben niets meer dan een leeg omhulsel. Ogen die niet mijn ogen zijn. Iemand heeft ze gestolen en op zijn gezicht geplakt. Dat gezicht heeft nu legaal nieuwe ogen, net als het zadel van een fiets. Ik hou me vast aan dingen van vroeger, omdat ik wist wie ik toen was. ‘Waar kijk je naar?’. Bas komt uit de badkamer lopen. Hij draagt een donkerblauwe joggingbroek en heeft een handdoek om zijn nek hangen. Kleine druppeltjes water vallen uit zijn haar op de vloerbedekking. Een paar secondenlang vliegen ze in de lucht en lijkt er niets mooiers te zijn dan dat. ‘Niets. Ik kijk naar niets’.

Als ik buiten sta waaien er blaadjes uit de bomen. Ik neem de route die we heen ook namen omdat ik erop vertrouw dat dit de snelste is. Ik zie de dertien bomen op een rij staan en loop over het stenen bruggetje met de blauw metalen versteviging. Ik snuif de geur op van het Chinees restaurant. Ze maken de bami en saté en tjaptjoi klaar voor de gasten die pas uren later binnen zullen komen waggelen. Ik voel me net zo. Klaargemaakt voor wat er ooit nog komen gaat. Dan kun je me opwarmen als een plastic bakje nasi. Met stukjes ei en alles erop en eraan. Uit de ventilator komt warme lucht. Ik blijf even staan om er mijn handen aan te warmen. Mijn huid is roze gekleurd en straft me voor het nog niet willen dragen van handschoenen. Het is nog geen november en ik moet de doos met sjaals en mutsen van de afgelopen jaren nog tevoorschijn halen. Sommige zijn lelijk en zal ik nooit meer dragen. Ik bewaar ze wel, voor het geval dat. De gele ns-borden nemen mijn volledige aandacht in beslag.

‘Ik vind dat altijd zo stinken. Ik snap ook niet waarom iemand dat in een trein zou gaan eten. En je handen ruiken altijd zó vies. Dat krijg je echt niet een twee drie schoon. Daar heb je zeep en warm water voor nodig. Toch, Jan?’

Een ouder echtpaar zit in de treinbankjes links van mij. Tegenover hen zit niemand. Ze hebben net een flink stuk gewandeld. Bergstappers met modder op de neuzen laten een spoor achter op de vloer. De veters zijn donkerbruin met een minuscuul zwart motiefje erin, strakgetrokken.

Een donkere jas tot over de knie en een grijze sjaal loopt aan het eind van het gangpad in de supermarkt. Het is tien over twee s ‘middags, ik eet vanavond alleen en ik ben van plan een diepvriespizza te kopen om in de oven te schuiven. Ik roep hem. Het hoofd op de donkere jas draait zich om. Het gezicht van Bas doet iets oplaaien in mij. Vlinders in mijn buik zorgen voor een hoop onrust. ‘Hee, eh, Lina’. Hij kijkt me hoopvol aan. Ik ben Lina, dat meisje met wie je vorige week nog in het donker naakt lag te zijn. ‘Hi’. Het is stil. Een mevrouw met een piepend winkelwagentje rijdt traag voorbij. Ik wil hem zeggen dat ik dat nog nooit gedaan had. Dat wat we toen hebben gedaan. Maar dat ik het fijn vond. Dat ik er nog de hele week aan terug heb gedacht en dat ik toen op had gemerkt dat mijn wangen van kleur veranderden als ik aan de sproet naast zijn navel dacht. ‘Hoe is het?’, vraag ik hem. Ik merk dat mijn stem vreemd omhoog gaat bij het uitspreken van het laatste woord. Minstens twee octaven, als je er een piano bij zou pakken. ‘Goed, goed. Gaat zo z’n gangetje, je weet wel’.

We staan tegenover elkaar. ‘Dus’. Ik schuifel wat heen en weer en overtuig mezelf dat ik een keer iets met hem wil drinken. ‘Zullen we…’. Bas legt een hand op mijn schouder. ‘Hee, het was leuk vorige week. Echt waar. Lekker even een tussendoortje zonder diepe gevoelens, net wat ik nodig had’.

Op de grond van de supermarkt liggen haren en stukjes karton. Er is een potje met olie stukgevallen en de vloeistof baant zich een weg over de vloer. Donkergrijze ronde kauwgomvlekken en sporen van winkelwagentjes leiden mij naar de diepvriesvakken. Ik kan niet kiezen. Hawaï, peperoni, mozzarella, tonijn. Mijn hand omvat het rode handvat van de vriescel en trekt deze open en dicht. Ik weet niet waar ik zin in heb. Of ik wel ergens zin in heb. Op de glasplaat hebben mijn voorgangers krassen achter gelaten. Fijne lijntjes in het doorzichtige glas. Het plakplaatje met groene pijltjes geeft aan welke richting je de bovenkant moet schuiven. Ze voelen overbodig. Ik kijk op en zie mijn gezicht weerspiegelt tussen de dozen met frituurhapjes. Alles is nu nog bevroren. De kleur is uit mijn gezicht weggetrokken en ik kijk mijn ogen niet aan.

Stilletjes zak ik tegen de koude wand aan en trek ik mijn knieën naar me toe. Ik kijk naar de schappen tegenover mij. Salade dressing. Flessen met een groene dop. Etiketten met frisse blaadjes sla en onnatuurlijk rode tomaat. De goedkope merken onderaan, lege witte flessen, zonder etiket.

 

IMG